Groeihormoon wordt geproduceerd door de hypofyse en gaat dan via de bloedstroom naar verschillende weefsels in het lichaam. Daar stimuleert het de productie van een ander hormoon, IGF-1 genaamd (insulineachtige groeifactor-1). IGF-1 is altijd gebonden aan bepaalde eiwitten (proteïnes), de zogenaamde IGF-bindende proteïnes (IGFBP) en kunnen in die combinatie de groei bevorderen. Zowel IGF-1 als de IGF-bindende proteïnes worden in diverse organen en weefsels geproduceerd en werken dan samen om de botten te laten groeien.

Voor de geïnteresseerden: de uitgebreide versie

Groeihormoon wordt gemaakt in de hypofyse. De hypofyse is een kleine, maar belangrijke klier in ons hoofd, onderaan de hersenen. Een andere klier in de hersenen, de hypothalamus, heeft ‘supervisie’ over de hypofyse en geeft aan wanneer de hypofyse groeihormoon aan het bloed moet afgeven. De hypothalamus geeft daarvoor een seintje door zelf een hormoon af te geven, het growth hormone releasing hormone (GHRH; hormoon dat stimuleert tot afgifte van groeihormoon). Dit stimulerende hormoon gaat via de kleine aders direct naar de hypofyse en zet de hypofyse aan tot het afgeven van een hoeveelheid groeihormoon.

Het groeihormoon komt vervolgens in het bloed terecht en via het bloed in alle delen van het lichaam, waaronder de lever. Het groeihormoon in de lever zorgt ervoor dat de lever het hormoon insulin-like growth factor-1 (IGF-1, of groeifactor) afgeeft, ook weer aan het bloed. Het groeihormoon en IGF-1 komen via de bloedbaan in alle delen van het lichaam. Ze komen daar terecht waar ze hun werk moeten doen.

 

10178_GHD_148,5 x 210 4-4

 

Zo komt het ook in de pijpbeenderen van de benen terecht die het grootste effect op de lengte hebben. De pijpbeenderen bestaan uit een middenstuk (of diafyse), twee uiteinden (epifyse genoemd) en twee groeischijven (ook wel epifysairschijven genoemd). Groeihormoon en IGF-1 komen door een aantal haarvaatjes in het middenstuk van het bot de pijpbeenderen binnen.

De groei zelf vindt plaats in de groeischijf. De groeischijf bestaat uit een aantal lagen kraakbeencellen. Wanneer deze cellen zich vermeerderen, duwen de nieuwe cellen de uiteinden van het bot naar buiten. Intussen sterven de oudere cellen af en worden omgezet in bot, zodat het middenstuk van het bot wordt verlengd. Dit proces herhaalt zich continu. Op den duur zorgt het proces van het vernieuwen van de kraakbeencellen en de botontwikkeling ervoor dat de pijpbeenderen steeds langer worden zodat het kind zichtbaar groeit.

Aan het eind van de puberteit stagneert het proces in de groeischijf en uiteindelijk stopt de aanwas van nieuwe kraakbeencellen. De overgebleven kraakbeencellen worden volwassen, sterven af en worden omgezet in bot, totdat de gehele groeischijf uit bot bestaat. Op dit moment smelten de uiteinden van het bot en het middenstuk samen zodat verdere groei niet meer mogelijk is.

Tot een aantal jaren geleden werd algemeen aangenomen dat te klein geboren kinderen en kinderen met het Silver-Russell-syndroom geen tekort aan groeihormoon hebben. Dit komt doordat deze kinderen op de basisschoolleeftijd niet de kenmerken hebben van de klassieke vorm van een groeihormoontekort, zoals een dikke buik en een rond gezicht (een poppengezicht). Ze zijn juist vaak tenger. Inmiddels weten wij dat een groot deel van de te klein geboren kinderen wel tekenen hebben van een groeihormoontekort. Bij 25% van de kinderen loopt het groeihormoongehalte in het bloed te weinig op tijdens stimulatietests. Bij 60% van de kinderen functioneert de stimulatie van de groeihormoonafgifte aan het bloed door de hypothalamus niet optimaal en zijn er te lage hoeveelheden IGF-1 in het bloed.

Kinderen die SGA geboren zijn en zelf geen spontane inhaalgroei hebben, blijken minder gevoelig te zijn voor de groeifactoren die hun lichaam aanmaakt. De ‘receptoren’ die normaal gesproken de berichten ontvangen van de groeifactoren en naar die berichten handelen, lijken minder goed te reageren. Op dit moment weten we nog niet hoe het komt dat het lichaam van deze SGA-kinderen minder gevoelig is voor groeifactoren en dat hun receptoren niet goed werken.
Wat we wel weten is dat de behandeling met groeihormoon de kinderen helpt dat deel wat ontbreekt of gedeeltelijk geblokkeerd is in hun lichaam, te overwinnen. Door het groeihormoongehalte te verhogen, nemen ook de groeifactoren toe in het bloed. Zo wordt er een einde gemaakt aan datgene wat de groei verhindert.