De puberteit wordt in de eerste plaats gekenmerkt door de seksuele rijping onder invloed van de geslachtshormonen uit de geslachtsklieren. Bij meisjes gaan de eierstokken (ovaria) in toenemende mate vrouwelijk hormoon (oestrogeen) aanmaken, met als gevolg de ontwikkeling van borsten en een vrouwelijk beharingspatroon. Dit wordt enige tijd later gevolgd door cyclisch vaginaal bloedverlies (menstruatie). Bij jongens groeien eerst de zaadballen (testikels of testes) uit, waarbij ook geleidelijk de productie van mannelijk hormoon (testosteron) op gang komt, met als gevolg groei van de penis, ontwikkeling van een mannelijk beharingspatroon, verlaging van de stem en toename van de spiermassa. Bij meisjes en jongens gaat deze seksuele rijping gepaard met een piek in de groeisnelheid, de zogenaamde pubertaire ‘groeispurt’. Deze groeispurt ontstaat doordat onder invloed van de geslachtshormonen de aanmaak van groeihormoon tijdelijk flink toeneemt. Uiteindelijk worden in dit proces de groeischijven tot sluiten gebracht en stopt de lengtegroei.

Meisjes vertonen de eerste verschijnselen van de puberteit als ze ongeveer 10 jaar oud zijn. In die periode groeien zij het snelst tot ze op ongeveer hun 13e voor het eerst ongesteld worden. Jongens komen rond hun 12e jaar in de puberteit. Niet alleen gaan ze daarmee wat later van start dan meisjes, maar tevens zet hun groeispurt nog weer wat later in, namelijk in de tweede helft van de puberteitsontwikkeling, rond hun 14e jaar. Wanneer de puberteit te vroeg komt, zal dit leiden tot een afname van de volwassen lengte, doordat de groeispurt vroeger komt en ook eerder stopt, en het kind daarmee een aantal groei-jaren mist. Een te late puberteit betekent daarentegen niet dat de volwassen lengte toe zal nemen. Trage rijpers hebben weliswaar meer groei-jaren, maar ze groeien ook trager.