Bij de Insuline Tolerantie Test wordt in het ziekenhuis via een infuus insuline toegediend. Door het toedienen van insuline wordt de bloedsuikerspiegel kunstmatig verlaagd. Onder normale omstandigheden (dus bij een goed functionerende hypofyse) prikkelt een lage bloedsuikerspiegel de hypofyse tot het afgeven van extra groeihormoon, waardoor het groeihormoongehalte stijgt in het bloed.

Bij deze test wordt enkele malen na de insuline-injectie elke 2 à 3 uur bloed afgenomen om het groeihormoongehalte in het bloed te bepalen. Een stijging van het groeihormoongehalte betekent dat de hypofyse goed functioneert. Bij het uitblijven van een stijging, is er sprake van een verstoring van de hypofysefunctie en wordt er dus te weinig of geen hormoon geproduceerd.

Een andere manier om een indruk te krijgen van de groeihormoonproductie, is het meten van het IGF-1-gehalte in het bloed. Bij volwassenen is een laag IGF-1-gehalte in het bloed, in tegenstelling tot bij kinderen, niet een sluitend bewijs voor een groeihormoontekort maar slechts een aanwijzing. Volwassenen met een groeihormoontekort hebben meestal lagere IGF-1-waarden in hun bloed.

Een laag IGF-1-gehalte kan bijvoorbeeld ook duiden op ondervoeding. Er zijn echter situaties waarbij het IGF-1-gehalte normaal is, maar er toch een groeihormoontekort bestaat. Het doen van één of meerdere stimulatietesten is dus op volwassen leeftijd meestal noodzakelijk om de definitieve diagnose te kunnen stellen.