De uiteindelijke vorm en functie van de hypofyse ontstaat tijdens de ontwikkeling van de foetus (de eerste 3 maanden na de bevruchting). Vanuit de holte, die later de mondholte vormt, ontstaat de zogenaamde adenohypofyse. In dezelfde periode vormt een uitstulping van de derde hersenruimte het tweede deel van de hypofyse, de zogenaamde neurohypofyse. Een volgroeide hypofyse bestaat dus uit twee delen die zeer nauw met elkaar verbonden zijn: de adeno- en de neurohypofyse.

NVGG hypofyse sturend orgaan

De adenohypofyse maakt naast het groeihormoon nog andere hormonen aan. Enkele hormonen oefenen een direct effect op een ander orgaan uit, zoals het ‘Luteïniserend Hormoon’ (LH), het ‘FollikelStimulerend Hormoon’ (FSH) en het prolactine. Deze hormonen hebben effect op de ontwikkeling van de seksuele kenmerken en de voortplanting. De overige hormonen uit de adenohypofyse beïnvloeden de hormoonproductie van andere klieren. Zo maakt de hypofyse het ‘Thyreoïd- Stimulerend Hormoon’ (TSH), dat de schildklier stimuleert tot de productie van schildklierhormoon. En maakt de hypofyse het ‘AdrenoCorticoTroop Hormoon’ (ACTH), dat de bijnierschors stimuleert tot het produceren van bijnierschorshormonen. De neurohypofyse maakt de hormonen vasopressine en oxytocine. Het hormoon vasopressine (ook wel ADH genoemd) regelt de afstemming van de water- en zoutbalans in het lichaam en werkt dus grotendeels in op het eindorgaan, de nieren. Oxytocine is van belang rondom de bevalling. Het hormoon werkt op de baarmoederspieren en doet deze samentrekken tijdens de bevalling. Ook na de bevalling heeft het hormoon een belangrijke rol. Het zorgt er onder andere voor dat de melkgangen van de borstklieren samentrekken, waardoor de moedermelk wordt uitgedreven.